Voor het eerst in mijn leven zie ik mezelf in een situatie geplaatst die zo zielsvreemd is aan alles wat zich heeft vastgeklemd aan het kruis van Jezus, dat ik met verbazing kijk naar de categorie die men ‘pijn’ zou noemen en plots zie dat er al die tijd een wereldgrootse nieuwe werkelijkheid achter mijn speelveld afspeelde die ik niet eerder waarnam en waar ik ook de woorden niet voor heb, laat staan de emotie of de gepaste gezichtsuitdrukking. Lichamelijk zou het eruit zien alsof ik rustig roerend in een pan mosterdsoep het ziekenhuis bel met de mededeling dat zojuist al mijn vier ledematen eraf zijn gerukt door een tuinhakselaar. Ik constateer enkel feiten; de rest van mij is er niet meer. Zoiets.

Het is qua intensiteit ver voorbij alles wat ik ooit heb meegemaakt bij elkaar, maar dan maal een miljoen en opgeslokt in een seconde. Het is een pijn die met één prik in het maagdenvlies voor altijd onomkeerbaar maagdeloos maakt, het is een pijn die met één scheur in de vruchtzak de baby de ogen doet openen voor het feit dat ze al die tijd niet alleen in mama’s buik zat, maar per afgeleide ook in de wereld waar mama’s buik zich bevond. Het is een kras die eruit zou zien als een hashtag (#) en zich ergens op de oppervlakte bevindt van wat ik daardoor ziel zou noemen, een kras die in een woedepoging om hem uit te gummen de oppervlakte alleen maar meer bezoedelt, als was het geborsteld aluminium. Ik houd mijn adem in.

Levensgroot zag ik op mijn projectiedoek afgebeeld hoe mijn reputatie zich ergens verborgen in de tijd van mij loswrikte en voor mij uit is gesneld, om in een ijzingwekkende echo die voor eeuwig gevangen zit in zichzelf de wereld te vertellen wat ik gedaan heb. Weet je wel wie dat is, wappert het doek waarmee de geur van verrotting, sperma en geronnen bloed de lucht in wordt geduwd. Zij is een rare, zij is gek, zij loopt bij de GGZ, zij snijdt zichzelf, zij is labiel, zij neukt iedereen, ze laat zich er ook voor betalen. Het was alsof ik in een duivelse (of hemelse?) rechtbank stond en ik geloof dat ik alleen mijn ogen nog open had. Hoe kan ik achteruit teruglopen en terugkomen op schreden die ik ooit een kant op zette, waar ik nu nooit meer naartoe zou gaan?

Ik wend mijn ogen af en zoek naar een mogelijkheid om ook mijn ziel af te wenden, maar zijn stem roept me terug naar het hier en nu. Kijk me eens aan, hé, kijk me eens aan.

Het voelt alsof mijn recht van spreken is verbogen in onrecht en ik zwijg omdat ik ook niet eens meer kan fluisteren. Het maakt mij niet uit wat ze over jou zeggen, zegt hij, en of het waar is of niet, ik weet wie jij echt bent. Het maakt mij niet uit. De manier waarop hij die laatste zin zegt, maakt dat ik hem geloof en zijn werkelijkheid tot de mijne maak. Het is alsof hij degene is die me aan mijn afgerukte arm mee wil trekken uit de helse rechtbank waar de menigte mij zojuist in heeft veroordeeld. Een rechtbank waar God allang Zijn toga heeft neergelegd en uit is vertrokken, omdat Hij 2.000 jaar geleden al met pensioen ging.  

In de bank rechts van mij zie ik ineens mensen zitten uit mijn eigen leven, mensen die ik ken, dacht te kennen, mensen die mij altijd vriendelijk gegroet hebben, mensen van wie ik dacht dat ze mij zagen voor de persoon die ik was en niet voor de aanklacht die ze nu over mijn mond heen plakken. Heb ik al die tijd in een leugen geleefd, denkend, naïef levend en hopend dat mensen geen verborgen agenda hebben? Krijg ik nu antwoord op een vraag die ik me in vriendelijke verwondering altijd al heb afgevraagd: benieuwd als ik was hoe mensen mij eigenlijk zien als ze me in de stad zien lopen?

Waarom hoor ik nu pas dat in mijn eigen stad, in mijn eigen straat én zelfs in mijn eigen flat een zin wordt uitgesproken die klinkt als: ‘Als zij zich zo zwaar opmaakt, dan gaat het weer niet goed met haar.’ Heb ik al die tijd voor schut gelopen in de stad, voor schut gestaan bij de kassa, voor schut gestaan in de sportschool, voor schut gestaan toen ik in mijn eentje naar de bioscoop ging, voor schut gestaan omdat mensen, veel meer mensen dan ik dacht, mij zagen en onderling fluisterden: ‘Oh oh.. het gaat weer niet goed met haar.’ Waarom was hij de eerste en de enige die me stilzette en zei: Waarom maak jij je zo zwaar op? Het staat je niet. Je hebt zulke mooie ogen van jezelf. Waarom heeft niemand.. ooit.. iets..

Met terugwerkende kracht begrijp ik ineens wat het onderwerp van gesprek geweest is toen hij een keertje ‘s avonds overstuur bij me kwam en zei dat zijn handen jeukten, omdat mensen hem weer hadden uitgelokt. Ik had toen nog tegen hem gezegd dat hij het moest laten gaan, sta erboven. Ze hadden het over mij hè, vroeg ik voorzichtig en met een brok in mijn keel. Zijn knikken was onzichtbaar maar duidelijk. Daarmee werd zijn pijn een heel klein beetje mijn pijn. Ik snapte ook ineens wat iemand bedoelde toen zij tegen hem had gezegd dat hij erbij liep als een pooier toen zij ons in de stad had zien lopen. Ik had toen nog quasi verontwaardigd gereageerd door te zeggen: ‘Als ze zoiets over jou zeggen, wat maakt mij dat dan?’ Zijn zwijgen van toen kwam er nu in een zucht van opluchting uit toen hij ook die last niet meer in zijn eentje hoefde te dragen en ik hoorde wederom een onhoorbaar knikken, toen ik begreep dat die opmerking over mij ging: mijn prostitutie maakt van hém een pooier, niet andersom.

Welke verhalen gaan er nog meer rond over mij?
Wie voedt die verhalen?
Wie toetst die verhalen?
Wie heeft die verhalen gehoord? Mijn ouders? Mijn broer en zus? Mensen in de kerk?

Wie zijn die mensen die dit doen? Wie zijn dit soort mensen? Of schuilt achter elk gezicht een masker dat zich verbergt achter een glimlach en bemoediging?

En hoe meer ik probeer om in woorden te vangen wat er gebeurd was, hoe verder ik er van af sta. Ik heb wel woorden voor pijn, verdriet, woede, verraad, onmacht, gulzigheid, wraak, afzien,.. ik ken de blindheid ervan, het oerse, het rauwe, het dwingende, het onmenselijke haast, maar ik heb geen woorden voor échte werkelijkheid. Het is alsof ik het binaire handboek heb gekregen van een softwareprogramma waarvan ik altijd dacht dat dát mijn leven was, niet wetende dat het slechts een slaafs opvolgen is van commando’s op een pagina, omgebladerd door het kwaad.

Het voelt alsof de opperlaag van mijn aardse lichaam is afgeschraapt en ik bekleed moet worden met goddelijk transplantatiehuid. Is dat wat God deed in Zijn hof? Zijn kinderen bekleden met iets van Hemzelf, wat alleen maar zou passen als ze waren ontdaan van hun onschuld? Moesten ook zij iets afleggen van wat zij dachten dat echt was, om zo tot een dieper besef te komen dat hun leven, bewegen en bestaan volledig ligt in Hem die hen schiep? Lagen ook zij als bloedende lammeren op Zijn altaar en was ook toen al de schreeuw van het dierenvel een vooruitblik naar niet alleen het hartenoffer van Abraham, maar vooral het offer van Zijn God vele jaren later?

“Ga jij met haar?!” De gons in zijn oren wordt de echo in mijn hart. Hij wist dingen over mij die ik hem niet zelf had verteld, dingen die ik bij Jezus had gelaten. En zijn handen hadden gejeukt om deze mensen met zijn ‘ja’ allemaal tot een zwijgen te dwingen. Ja, ik ga met haar, en als je nog eens iets over mijn meisje wil zeggen, moet je dat doen waar ze bij is.

Maar deed Jezus niet precies hetzelfde bij mij? Was ik niet precies die overspelige vrouw, in het middelpunt gezet, omringd door een menigte die alleen steniging op het verharde hart had? Was ik niet precies die Zaccheüs, verborgen in een boom van gebladerde schaamte? Als deze man al in mijn hart de geruststelling kon stansen dat het niet uitmaakt wat ze over me zeggen, dat het niet uitmaakt wat ik gedaan heb.. als die woorden al meer lijken op het watermerk ín het papier dan het papier zelf, onuitwisbaar ook al is de boodschapper verkreukeld, lijkend op een hashtag die haar stempel zet onder een verklaring van echtheid, hoeveel temeer tekent het bloed van Jezus dan niet de contouren van mijn hart..

Bij Hem ben ik veilig. Bij Hem ben ik vrij van oordeel. Bij Hem ben ik geaccepteerd. Bij Hem ben ik voorgoed gescheiden van mijn zonden. Bij Hem ligt mijn echte reputatie. Bij Hem mag ik die diepe pijn doorleven van verraad. Ook Hij werd weggezet als gek. Ook Hij werd beschimpt, bespot, geslagen. Maar juist Hij keek naar mij om, om daarmee mijn blik hopelijk af te kunnen wenden van de aanklagers, weg uit de rechtbank waar niet eens ik, maar Hij 2.000 jaar geleden Zich vrijwillig liet veroordelen, om mij de kracht te kunnen geven om vergeving te schenken aan de mensen die mij in anonimiteit verraden hebben, duwden mij alleen maar verder van hén af, dichter naar Jezus toe.

Advertisement