Mijn oog traant. Er komt water uit. Ik huil. Het is meer dan zout, het is een innerlijke beroering. Alsof ik meedein op een golf van herinneringen waar mijn hemelse Vader me op zet, of toe uitnodigt. Ik val stil tijdens de afwas, mijn handen half in het water, warmig, soppig, en ik sluit mijn ogen en huil.

Het is een stilzetten van iets dat meer is dan alleen mijn lijf, meer dan alleen mijn handen, mijn afwas. Het is een meest lieflijke reis, het is alsof de wind door me heen blaast en me ineens laat zien wat ik onlangs zei, verwijtend naar Hem, nee, niet eens naar Hem; ik was op mezelf gericht, in een boze, kale rotsachtige bui voelde ik in hoofdletters dat ik niet werd opgemerkt, why don’t I get noticed.

Er kwam een gecensureerd vloekwoord achteraan.
Het waarom was niet eens een uitnodigende vraag, eerder een retorische snauw.

Later veranderde ik het vraagteken in een punt. Het waarom werd een statement en daarmee sloot God nog verder buiten: I don’t get noticed. Zo boos was ik. Ik zag ineens een opsomming van mensen en situaties -die ik gedeeltelijk zelf had opgezocht of uitgelokt- waarin ik niet kreeg wat ik wilde, hoopte, verwachtte.

Ik heb het niet eens naar God gebracht, ik slingerde het mijn huis in. Ik deed het in een doos, schreef er ‘waarheid’ op en keek er niet meer naar. Waarom ook. Ik word toch immers ook niet opgemerkt? Dit is hoe het is, ik doe er niet toe, vond ik, verder niet meer naar kijken.

En dagen later sta ik af te wassen, mijn handen in het warme water, sop. En ineens lijkt het wel of ik met andere ogen naar mijn leven kijk, maar alsof ik het niet zelf ben, maar ik in staat word gesteld om een ander soort laatje herinneringen open te maken. Ik ben het niet zelf die ze opent, ik ben de inhoud.

En ik hoor ineens weer wat iemand die ochtend zei, over dat haar dochter me herkende vorige week. Een meisje van twee, dat in de auto mijn naam noemt, terwijl ze naar me wijst, terwijl ik buiten op de hoek op de bus sta te wachten. En ik moet ineens denken aan een jongen in de sportschool, die vorige week tegen me zei dat hij het fijn vond me weer te zien omdat hij verder wel wat jongens groet maar daar blijft het dan ook bij. En een vrouw in de kerk, die me lang aankijkt, drie keer twijfelt, dan ademhaalt en vraagt ‘was jij niet diegene die vorig jaar gedoopt is?’ en dan vertelt hoe indrukwekkend haar kinderen dat vonden, ‘hoe jij uit dat water kwam’, dat ze hadden gezegd dat zij ook gedoopt wilden worden.

Ik word dus blijkbaar wel gezien.
Allemaal door mensen van wie ik het niet verwacht.

Mijn oog traant. Vorige week nog was ik zo bang om blind te worden door die ontsteking; ik doe bijna alles met mijn zintuigen, proeven, kijken, voelen, zien, horen, ik kan niks missen, ik wil niks missen. En ineens denk ik ook aan de ontmoeting met de oogarts eerder die week, die zei dat ik iets heel bijzonders heb. Hij zei: ‘U heeft draadjes in uw iris.’ Ik schrok eerst, ook omdat hij zei dat het bijna nooit voorkomt, dat het iets is wat in de embryonale fase zichtbaar is, maar daarna verdwijnt, net zoals sommige baby’s worden geboren met vliesjes tussen de vingers. Hij zegt: ‘Heeft met evolutie te maken’, waarna ik meteen intern moet glimlachen en aan God moet denken. Niks evolutie. Gewoon God.

De oogarts laat ook zijn assistente even kijken omdat het gewoon prachtig is om te zien. Een andere vrouw mag ook even kijken. Ze hebben het nog nooit in het echt gezien, kennen het alleen van plaatjes. Ik schiet in een uiterlijke lach en zeg: ‘Nou mensen, graag gedaan.’

Als ik naar huis fiets, weet ik het zeker; het was de hand van God, die draadjes in mijn iris, Hij heeft mij geweven, al in de moederschoot. Die tekst van een opwekkingslied sprak me altijd al aan. Het is een zo ongelooflijk nabij-zijn dat je er geen woorden voor hebt. Zelfs mijn eigen moeder was niet zo dichtbij me toen ik nog in de buik zat. En God wist dit al die tijd, van die draadjes, niemand wist het behalve Hij, en nu ook ik. Ik voelde me een prinses toen ik het hoorde. Het was alsof ik een koninklijke mantel over me gelegd kreeg.

Je bent bijzonder, van buiten en van binnen.

Alsof Hij me een kusje op mijn hoofd geeft. En mijn adem stokt, ik ben intern stil, ik voel een intern wow-suizen, hoe moet ik dit nou verwoorden, wat ik voel, wat is dit nou wat er net gebeurde, mijn tranen drogen op.

Het overweldigende gevoel als God je onomstotelijk laat weten dat Hij voor je vecht, is onbeschrijflijk. Het is niet eens een vechten wat Hij doet, het is alsof het enige wat Hij hoeft te doen, is Zijn autoriteit te laten zien, te laten gelden. Te ‘zijn’. Dat doet de grond zo trillen dat al het los zand waarop je dacht te staan door donkere kieren voor eeuwig naar beneden valt en het enige dat overblijft een harde ondergrond is. Je staat op heilige grond, trek je schoenen uit, zei Hij tegen Mozes.

Het is alsof Hij je naar de grootste hoogte brengt, en in diezelfde snelheid al je hoogtevrees afneemt. Je hebt niet eens de tijd om terug te vallen, of naar beneden te kijken, laat staan tijd te willen verspillen aan tranen dat je Hem wéér niet vertrouwd hebt en dat je daarvan baalt.

Als God Zich in al Zijn almacht en glorie aan je laat zien, wil je niks meer dan bij Hem zijn, met Hem trouwen, het is niks wat je ooit hebt meegemaakt, al dacht je van wel toen je high was van de drugs; dit is kleurrijker, voller, breder, echter, echter, vooral echter. De zintuigen voorbij. Het is alsof je in een groen veld staat en je ineens vanuit een andere hoek kijkt, waardoor je ziet dat in alle bloemknoppen een belovende rode kleur zit. Je staat in een klaprozenveld.

Als God je laat zien hoe Hij overwinnaar is over de duisternis, is dat zoveel meer dan het licht aandoen in het donker. Het verandert alles wat je dacht dat er was. Het is niet eens het optillen van de sluier zodat leugens zichtbaar worden, het gaat eindeloos verder dan dat; het is een ultiem wegdoen van de leugens. Onbestaand. Niet eens overwonnen, het gaat verder dan overwonnen. God is de Enige.

God knipoogde naar me. Mijn oog traant ervan.

Advertisement